Web Design
Marokko

Terug naar Reizen

8 mei 2010, Cassablanca,
Op het vliegveld worden we opgevangen door Luc, onze reisbegeleider. 
Deze keer hebben we een groep van 16 mensen. In een bus gaan we direct weer de stad uit, want ons eerste hotel is in Rabat

9 mei, Rabat.
Vroeg in de morgen vertrekken we in twee minibusjes en neemt Luc ons mee naar het Koninklijk Paleis in Rabat.
Het paleis zelf is niet toegankelijk voor burgers. Er staan dan ook wachters bij elke poort. Of de koning er nu is of niet. Luc heeft een paar Marokkaanse kranten meegenomen en hij laat ons zien, dat de koning telkens op de eerste pagina staat. De koning van Marokko heeft een veel prominentere rol in de regering, dan bij ons het geval is.
Een eindje van de hoofdpoort zien we een bronzen deur met patronen. Daar is natuurlijk de vijfpuntige ster bij, die ook in de vlag van Marokko staat.
Aansluitend gaan we naar Chellah, even buiten de muren van de stad. Chellah is een Necropool en een stad uit de Romeinse tijd, toen Rabat nog Sala Colonia heette. De ruïnes zijn niet erg indrukwekkend. Het wemelt er overigens van de ooievaars. Ook hier schudt Luc de hele historie uit zijn mouw. Daar zullen we de komende twee weken nog veel van opsteken!
Met de minibus gaan we naar het mausoleum van Koning Hassan II, de vader van de huidige koning, die in 1999 is overleden. Het is een mooi nieuw gebouw, dat op een markante plaats staat. Ook daar lopen wachten, maar hier mogen wij wel naar binnen. Via een trap komen we op een galerij, die langs alle vier muren loopt. Beneden zien we de rustplaats van de koning. Een man met een fez op zit tegen een muur te lezen. Als het goed is, is dat de Koran. Voor het mausoleum staat de Hassan toren. Deze toren wordt omringd door een kompleet veld van oude zuilen van de gebedsruimte van een vroegere moskee.
We gaan voor het eerst een Medina in. Veel kleuren en koopwaar. Via de Ouaïada Kasbah, een wijk met blauw gekleurde huizen uit de 17e eeuw, komen we bij de kust. Vanaf de rotsen kijken we omlaag. Surfers en badgasten als bij ons. Via de trappen dalen we af en we lopen naar de begraafplaats, waar we tussen de graven door omhoog lopen. Zo hopen we weer op bekend terrein te komen. Maar dat zit niet mee. Na twee keer vragen komt het toch nog goed.
Om een uur of zeven gaan we met de hele groep eten. Het is een leuk restaurant en we genieten voor het eerst van een Tajine, een stoofpotje. Met lamsvlees en pruimen. Best lekker!

10 mei, Meknes,
Oorspronkelijk zouden wij de reis vervolgen via Volubilis, maar Luc legt uit, dat we beter eerst naar Meknes kunnen gaan en dan via Volubilis naar Fes. Minder reistijd, dus meer tijd voor het bekijken van al het moois. Dus rijden we naar Meknes.
We rijden de stad binnen via de Bab el Mansour. Vandaar gaan we naar het de Koningsstad, die door Moulay Ismaïl is gebouwd. We rijden om het Bassin de l’Aquedal heen naar de paardenstallen. Het is daar een herrie van belang, want de stallen worden gerenoveerd onder auspiciën van Unesco. Door gebrek aan onderhoud is het hele dak van de stallen verdwenen. Op één plek kunnen wij zien, op welke manier dit wordt hersteld. Duidelijk is te zien, dat dit veel werk zal zijn, maar toch zou het geheel al in 2011 klaar moeten zijn.
Als we weer beneden zij, lopen we een eindje om en we gaan daar de graanschuur van Moulay Ismaïl binnen. De renovatie is daar al afgerond en we zijn onder de indruk van de omvang van de graanschuur.
Daarna gaan we de stad in en we bezoeken het mausoleum van Moulay Ismaïl. Voor het eerst deze reis moeten de schoenen voor de deur blijven staan. Wij worden weer geconfronteerd met de architectuur, die wij van Andalusië tot in India tegen zijn gekomen.
We lopen daarna langs de muren van het koninklijk paleis en we zien daar een gebouw, waar vertegenwoordigers van andere landen in de tijd van Moulay Ismaïl hun geloofsbrieven kwamen overhandigen. Moulay Ismaïl stond hun te woord vanaf een verhoog. Op die manier werd de vertegenwoordigers aan het verstand gebracht, wie het in dit land voor het zeggen had.
Even verderop ligt de ingang van de gevangenis van Moulay Ismaïl. Naar het schijnt, hebben daar vele mensen gevangen gezeten, zonder uitzicht op vrijlating. Het was een vergeet-grot.
Via de Place el-Hedime gaan we de Medina in. In die Medina ligt ook de medersa Bou Inania. Een Koranschool dus. Met mooi fijn houtsnijwerk en de gebruikelijke non-figuratieve verfraaiingen en kalligrafie.

Volubilis en Moulay Idriss,
We gaan verder in onze mini-busjes en we naar Volubilis, de meest westelijke ruïne uit de Romeinse tijd. Er wordt gezegd, dat de stad gebouwd werd op nog oudere resten van een Carthaagse nederzetting. We zien er veel mooie zuilen en mozaïeken, die soms heel goed bewaard zijn gebleven. Plus een mooie triomfboog en een gereconstrueerde olie-pers.
Op weg naar Fes gaan we het stadje Moulay Idriss in. Moulay Idriss was een nakomeling van Ali, de schoonzoon van de Profeet. Deze heerser ligt daar ook begraven in een mausoleum. Daar mogen geen mensen in, die geen Moslim zijn. Deze beperking is niet bedacht door de Moslims zelf, maar door een Franse bevelhebber, die de Marokkanen destijds hebben “geholpen” met het ontwikkelen van een moderne staat. De Franse soldaten hadden zich toen meermaals misdragen in een heiligdom en het was beter, dat daar een eind aan kwam. We konden echter nog wel een blik werpen op de buitenkant. En die is al mooi. Op weg terug naar de busjes lopen wij tegen een trouwstoet aan. De bruidegom (in zijn beste pak) wordt vooraf gegaan door een (arm) schaap en hij wordt gevolgd door vrouwen met giften en een groep muziekanten. Trommelen kunnen die Marokkanen als de besten! Allemaal! Oh ja, er waren ook nog drie blazers bij. Die blazen op koperen instrumenten, die op verlengde fuvuzela’s lijken. En ze klinken precies eender. Later in de middag komen we aan bij ons hotel in Fes.

11 mei, Fes,
Oh ja, dat vergat ik nog te zeggen! Dit is een reis “langs de Koningssteden van Marokko”! Dus gaan we ook vandaag eerst langs het koninklijk paleis. En ook hier komen wij niet verder dan de buitenkant. Met ook weer een bronzen poort, die net wordt schoongemaakt. Onder leiding van een plaatselijke gids gaan we de oude Joodse buurt in, die vlak bij het paleis begint. We zien daar ook een oude synagoge en typische deurposten, met speciale versieringen. Die zijn helaas voor een groot deel versleten, want er wonen niet zo veel Joden meer in Fes.
We rijden daarna naar een heuvel, waar vanaf we een goed uitzicht over de stad hebben. Daar wordt ook van alles verkocht en Theo, één van onze reisgenoten, koopt een geheugenkaartje voor zijn camera. Het afdingen bij de verkoper gaat zover door, dat de eigenaar van de “winkel” (in de openlucht) er aan te pas moet komen op de koop definitief af te sluiten. Helaas bleek het kaartje later niet te werken, dus was de prijs toch te hoog.    Daarna gaan we via de Andalusische buurt naar de Tunesische buurt. We zien daar allerlei handwerkslieden, zoals koperslagers en textiel ververijen. In een oude karavanserai hangen de kleden over de balustraden te pronken. Via een moskee en een medersa komen we bij een mooi huis, waar men kleden verkoopt. We krijgen uitleg en we zien veel hele mooie kleden van allerlei stijlen. Als klap op de vuurpijl komen we nu terecht bij de beroemde leerlooierijen. We moeten een trapje op, langs allerlei leerwinkeltjes en we krijgen allemaal een lekker takje tijm. Tegen de stank. Maar die stank valt vandaag gelukkig erg mee.
Via de Blauwe poort gaan we de stad weer in. Weer allerlei winkeltjes. Bij één hangt de kop van een (dood) kameel voor de vitrine. De kippen worden geslacht waar je bij staat. Tot slot worden we door de gids bij een Berber Farmacie naar binnen geloodst. We mogen van alles ruiken. En kopen.
In de avond eten we bij iemand, die zegt, dat Nederlanders zeggen, dat hij op een bekende Nederlander zou lijken. Als het ons niet lukt om te raden op wie hij dan wel lijkt, wil hij het ons wel verklappen: “I look like Kees Van Kooten!” En warempel, dat is ook nog zo. Hij is erg gastvrij en we eten er voortreffelijk.

12 mei, Fes,
Omdat wij er maar niet genoeg van kunnen krijgen, gaan we de stad weer in. Eerst drinken we ergens café cassé. Daarna gaan we omlaag langs de Rue Talaa Seghira. Tegen lunchtijd worden we door een jongen overgehaald om toch vooral in dit of dat restaurant te gaan eten. Omdat we intussen toch al wel trek hebben, zijn we hem gevolgd. Eerst denken we, dat we  terecht zullen komen in een obscure plek, want het wordt hoe langer hoe nauwer. Maar tot onze stomme verbazing, komen we terecht in een prachtig restaurant. En daar zitten dan ook weer de meeste van onze reisgenoten. Terwijl we eten, horen we van buitenaf de oproep tot het gebed. Eén van de obers van het restaurant rolt in op niet bezette plek zijn kleedje uit en gaat in gebed.
Nadat we nog een hele tijd door de oude stad hebben gelopen, besluiten we terug te lopen naar de Ville Nouvelle, waar ons hotel is. In het begin zien we één bord in de goede richting, maar bij de volgende kruising zien we geen aanwijzingen meer. De weg gevraagd aan een jongeman, maar dat mondde uit in een discussie die over van alles ging, maar hij wist niet goed welke kant we nu uit moesten. Toen maar twee jonge meisjes aangesproken, maar die spraken geen Frans. Op een gegeven moment lopen we langs de muur van het koninklijk paleis. Een hele lange muur. Eindigend bij een rotonde, waar ook de Ville Nouvelle niet staat aangegeven. Toch maar op ons gevoel met de muur van het paleis mee links af geslagen. Na een heel eind komen we een hokje tegen van paleiswachten en daar staat iemand, die wel Frans spreekt. We zijn op de goede weg. Nooit geweten, dat een paleis in Marokko zo groot kan zijn. Eindelijk komen we in de nieuwe stad aan. En dan is het niet moeilijk meer, want het kaartje van het hotel helpt ons bij de laatste aanwijzingen. Het heeft al met al toch wel zo’n drie uur geduurd.

13 mei, Arfoud,
Bij vertrek blijkt, dat de chauffeur van één van onze busjes zich ziek heeft gemeld. Het duurt ongeveer een uur, voor zijn vervanger arriveert. Onderweg naar Arfoud rijden via Midelt over de Hoge Atlas zien we, dat de lente vele bloemen in bloei heeft gezet. We lopen ook even door een klein plaatsje, waar de tijd heeft stilgestaan. De huizen zijn van leem en de smederij kan zo het museum in. In de hogere gedeeltes zien we huizen, die er Europees uit zien. Met schuine daken met dakpannen. Dat is daar praktisch, want er valt daar natuurlijk sneeuw. Daar wonen voornamelijk rijkere Marokkanen.
We stoppen bij Ksar El Fida, een mooie authentieke plaats, waar we een tijdje tussen de lemen muren lopen.
Ons hotel in Arfoud is prachtig. Sfeervol verlicht en voorzien van een zwembad.

14 mei, Arfoud, Erg Chebby
Vandaag gaan we een Jeep-safari maken. Door de woestijn. In het centrum van de stad kopen we wat brood en een Edammer kaasje, want we gaan vanmiddag ergens picknicken, zegt Luc.
Met een zwijgzame chauffeur aan het stuur gaan we de woestijn in. Van verre zien we de zandduinen van Erg Chebby al liggen. In dit deel van de woestijn kan je heel veel fossielen vinden. Aan de oppervlakte. We stoppen in the middle of nowhere, waar een winkeltje staat, waar je fossielen kunt kopen. Aan de vele fossiele planten kan je zien, dat het er hier vroeger heel anders uitgezien moet hebben.
We zien een groot meer. Een meer? In de woestijn? Ja, maar het is een zoutmeer, dat elk jaar na de lente weer droog komt te vallen. We horen kikkers en we zien veel vogels, vooral flamingo’s.
Tegen de middag stoppen we bij het huis van bedouinen. Het brood en de kaas worden gesneden en opgegeten. Als het op is, worden we verrast door een concert van de bedouinen. Ze spelen op trommels en de dansers hebben metalen kleppers in hun handen, waar zij het ritme mee ondersteunen. Een jongetje van een jaar of 4 mag meedoen. En natuurlijk trekt hij alle aandacht van de fotografen onder ons. Later gaat één man spelen op een snaarinstrument, dat wel wat weg heeft van een gitaar. Tot onze verbazing sluit hij het instrument aan op een versterker en de muziek komt dan uit een paar luidsprekers. Aan het eind blijkt, dat onze reisgenoot Anton talent heeft voor drummen. Hij gaat naadloos mee in het concert.
Het eindpunt van de Jeep-safari ligt bij Auberge du Sud, aan de rand van Erg Chebby. Maar voor we daar aankomen, wandelen we nog even door een palmentuin. Het personeel van Auberge du Sud draagt Touareg kleding. Prachtig! En ook hier is een zwembad, dat tot onze verbazing vrij koud is.
Tegen het eind van de middag zien we een stoet dromedarissen aankomen. Eén man laat met een simpel gebaar alle dieren door hun knieën gaan. In de lounge van de herberg krijgen wij allemaal een doek om het hoofd gewikkeld, tegen de zon onderweg. Een paar reisgenoten zien op tegen een rit op de rug van een dromedaris en zij gaan dus niet mee.
Na enige uitleg slagen wij er allemaal in om op de rug van een dromedaris te klimmen. Gelukkig hebben we een handgreep voor ons, want het schip van de woestijn kan nog wel eens schommelen. Bij het opstaan gaan ze namelijk heel erg heen en weer. Omdat het al later in de middag is, is de zon al niet zo heet meer en we genieten onderweg van de prachtige kleuren van de duinen. Onderweg graaft één van de begeleiders snel in een deel van een duin en hij komt terug met een fors uitziende hagedis. Tegen zonsondergang komen we aan bij een kamp, waar wij onze (kleine) bepakking achterlaten bij een paar tenten, die in een vierkant zijn opgesteld. Ons wordt aangeraden om het grote duin achter het kamp te beklimmen om van daar de zonsondergang te gaan zien. Maar het duin is zó stijl en mul, dat daar maar een paar van onze reisgenoten daar in slagen. Als het donker is, wordt het diner opgediend. Op lage tafels in het midden van het vierkant van de tenten. Er is maar één lamp. Dus snijden we een paar lege waterflessen door midden en we doen daar kaarsen in. Reisgenoot Wim zit in de wijnhandel en hij heeft een paar flessen meegenomen. Die gaan dus leeg. Wij zijn niet de enige toeristen in het kamp. Er is daar nog een Nederlandse groep. Nadat de bedouinen-bemanning een paar nummertjes muziek hebben gemaakt, gaan we plat. Met vier personen in één tent. Toch goed geslapen
. .

15 mei, Erg Chebby - Todra kloof,
Als je uit bed komt, moet je meestal eerst even naar het toilet. Maar ja, er is hier helemaal geen toilet . . . Dus moet je maar een beschutte plek opzoeken, waar je je onbespied waant.
Voor het ontbijt doet de zon zijn feestverlichting aan. Mensen lopen meestal te koop met de mooie zonsondergangen, die zij gezien hebben, maar wij raden jullie een zonsopgang in Erg Chebby aan. Van harte.
Na het ontbijt (met thee natuurlijk) klimmen we weer op de rug van een dromedaris en we doen er weer anderhalf uur over om terug naar Auberge du Sud te rijden. Zonder wielen dus.
Na een korte tussenstop in de herberg om ons even op te frissen en onze koffers te pakken, gaan we weer in de mini-busjes op weg.
In Risani lopen we een tijdje over de markt, waar al veel vrouwen in het zwart gekleed gaan. Mensen uit de wijde omtrek komen naar deze markt om hun spullen te verkopen. Bij de toegang van de markt zien we paard en wagens, die als bus dienen.
Onderweg stoppen we bij een hele serie verhogingen in het woestijnachtige landschap. Dit blijken oude waterputten te zijn. Boven op sommigen staat nog de hijsinrichting voor de emmers water. Als we verder rijden, zien we, dat het er honderden zijn. Als de ene bron droog viel, groeven ze telkens weer een nieuwe. De mensen hebben hier in het verleden erg veel moeite moeten doen om aan water te komen.
Via de Anti Atlas komen wij bij de Todra kloof aan. We rijden een heel eind de kloof in, totdat we bij ons volgende hotel aankomen. Hotel Le Festival, genoemd naar een feest, dat hier elk jaar wordt gehouden. De kamers van het hotel zijn voor een deel uit de rotsen gehakt en ons bed staat in een alkoof in de rotsen
.

16 mei, Todra kloof,
Na het ontbijt gaan we met de busjes naar het nauwste gedeelte van de kloof. Daar stappen we uit en we lopen tot de monding van de kloof.
In de tuin van een restaurant worden we opgewacht door Abdul, onze gids voor een wandeling door de palmentuinen. Deze wandeling verslaat onze stoutste verwachtingen. Het is daar prachtig! Overal kleine landerijen tussen de palmen, waar van alles verbouwd wordt. Veel alfalfa (luzerne), dat als veevoer dient. We zien dat iemand de irrigatie omleidt, om op die manier een ander stuk land te bevloeien. Soms moeten wij helemaal aan de kant om een ezel met bepakking door te laten. Aan de randen van de palmentuin zien wij oude, verlaten huizen. Als een gezin groeit, wordt het huis te klein. Dan bouwt men soms een nieuw huis en men laat het oude vervallen. Als we in de buurt van de stad aan het eind van de kloof komen, besluiten een paar reisgenoten niet verder mee te gaan. De wandeling is hun al lang genoeg geweest en ze gaan de stad in.
Als Abdul ons alles heeft laten zien, neemt hij ons mee naar het huis van een familielid. Daar kunnen wij dan een echt Marokkaans huis van binnen zien. En toevallig verkoopt men daar ook kleedjes . . . Dan gaan we naar een plek, waar wij een uitgebreide lunch krijgen. Er wordt van alles opgediend en wij laten het ons goed smaken.
Als we weer terug komen bij ons hotel, verzamelen wij ons op het terras, want er valt iets te vieren. Wim is jarig en natuurlijk is er weer wijn. Ook hier wordt weer muziek gemaakt. Perrsoneel van het hotel en onze chauffeurs roeren allemaal een trom. Het lijkt wel of alle Marokkanen kunnen trommelen. Ook nu doet Anton weer mee.

17 mei, Todra kloof - Marrakech,
Na het ontbijt nemen we afscheid van de kloof en we rijden in de richting van Marrakech. Een vrij lange rit, die over een pas gaat van 2100 meter. Maar gelukkig is het niet één en al rijden. Onderweg valt er nog van alles te zien. We stoppen even om foto’s te nemen van de Dades-kloof, die zo te zien een beetje lijkt op de ingang van de Todra-kloof.
Kasbah de Taourirt is gebouwd door de Pasja van Marrakech. Niets is er van steen, alles is van leem en hout. Maar bij de ingang staat wel een ijzeren kanon. De kashba heeft een aantal mooi versierde kamers met houten plafonds. Vooral het uitzicht vanuit de bovenste kamers is mooi.
Natuurlijk stoppen we ook bij Aït Benhaddou, bij Ouarzazate. Na een lunch langs de weg gaan we de Wadi Mellah over naar Aït Benhaddou. Te voet. Maar die is gelukkig niet diep. Via een serie stenen komen we aan de overkant. Aït Benhaddou ligt tegen een roze getinte zandstenen heuvel aan. Het schilderachtige Aït Benhaddou heeft vaak als filmlocatie gediend. Boven op de berg staat een graanschuur en het waait daar flink. Maar het uitzicht maakt een hele hoop goed.
Via de Tichka-pas komen we in Marrakech aan en ons hotel ligt vlak bij het centrum. Net tegenover de Koutoubiamoskee. Naast het hotel is een Italiaans restaurant en wij kunnen de verleiding niet weerstaan.

18 mei, Marrakech,
In de lobby van ons hotel meldt zich een wat oudere meneer, die heel goed Nederlands spreekt. Hij heeft namelijk een tijd in Nederland gewoond. Hij is vandaag onze gids en hij heet Driss.
Marokko ontleent zijn naam aan Marrakech. Dat zegt wel iets over het belang van deze stad. Dus heel benieuwd gaan wij achter onze gids aan.
We gaan eerst naar de Saadische graven. De twee mausolea bevinden zich in een met bloemen beplantte tuin, het symbolische paradijs van Allah. Zij behoren tot de mooiste voorbeelden van Islamitische architectuur in Marokko. Ze dateren uit het eind van de 16e tot de 18e eeuw.
Palais Bahia betekent Paleis van de Favoriet, Het is aan het eind van de 19e eeuw gebouwd door de Grootviziers Sidi Mohamed ben Abderrahman en zijn zoon Ba Ahmed. De laatste was zo zwaarlijvig, dat alles op de benedenverdieping was geconcentreerd. In het paleis zijn de duurste materialen verwerkt: marmer uit Meknes, cederhout uit de Midden Atlas en tegels uit Tetouan. Mooie binnenplaatsen en rijke versieringen maken indruk.
Via de Medina lopen we terug naar Jamaa el-Fna, het gigantische centrale plein van Marrakech. Dit is zo ongeveer het symbool van de stad. Het plein bestaat al eeuwen. Maar eeuwen geleden werden hier mensen onthoofd. Nu is het meer een plein voor elke avond. Je vindt er slangenbezweerders en waarzeggers, je kunt er een tweedehands gebit kopen en je kunt er eten tussen de rook van alle stalletjes. Nadat wij de zaak bij daglicht hebben bekeken, lopen we terug naar het Italiaans restaurant, waar we ons weer laten fê
teren.
De meeste van onze reisgenoten zijn zo moe van de rondleiding, dat ze lekker in of bij het hotel blijven. Wij gaan even Internetten en dan gaan we weer naar Jamaa el-Fna. Daar zien we een omrasterde omgeving, waarbinnen groepen artiesten aan het oefenen zijn, voor een concert later die avond op het plein. Op het plein zelf is het al behoorlijk vol, alhoewel de echte voorstelling nog moet beginnen. Er is ook eencameraploeg aan de gang. Zal wel een belangrijk concert worden. Toen we dat navroegen, bleek, dat het om een concert van Arabische muziek zou gaan. Zo te zien werd er ook een belangrijke gast verwacht, want er liep een aantal kort geknipte mannen rond, gekleed in een net pak en allemaal met een zonnebril op. Bewaking. De muziek gaat van start en we zien leuke en minder geslaagde optredens. Ook een westerse popgroep, maar hoe dat past bij Arabische muziek? Dan past die slangenbezweerder met begeleidende muziek beter. Terwijl de duisternis wordt, vallen de gekleurde lampen rond het podium meer op en het wordt echt leuk om te zien. Op een gegeven moment treedt er een dansgroepje op van een stuk of 20 pubers, begeleid door muziek van Vangelis. Als de muziek op zijn hoogtepunt is, komt er een hoogwaardigheidsbekleder aangelopen, omringd door veiligheidsmensen. Niemand om ons heen kan ons vertellen, wie het is. Of we hem misschien willen spreken? Stel je voor, dat ze dat voor elkaar weten te krijgen! Dus zeggen wij snel “Nee”. Tot slot komen alle artiesten nog eens allemaal op het toneel en de voorstelling eindigt in een apotheose van Nationale trots, waarbij flink gezwaaid wordt met de Nationale vlag. Moe maar voldaan gaan wij naar bed.

19 mei, Essaouira,
Over de rit naar Essaouira is niet zo veel te vertellen, maar we stoppen wel een keer bij een boom, waar een paar geiten in zitten. Ze zijn vastgebonden. Ze dienen als toeristische trekpleister voor een Coöperatie, waar men argan olie maakt. In de historische versie werden de argan vruchten aan geiten gevoerd. Die verteerden het vruchtvlees en de overblijvende noten werden gekraakt en de pitten werden gemalen. Hieruit komt dan de argan olie voort. De olie is er twee uitvoeringen. Eén die je kunt innemen en één voor cosmetische doeleinden. We gaan ook even in de coöperatie kijken en sommigen van onze reisgenoten kopen een flesje olie.
Bij aankomst in Essaouira worden onze koffers overgeladen in handkarren, want de straten in Essaouira zijn te nauw voor de busjes.
Nadat wij ons in het hotel geïnstalleerd hebben, gaan we kriskras door de stad. De stad heeft een Portugees verleden. Leuk stadje. De stad staat ook bekend om het Thujahout. Het wordt daar dan ook ruimschoots te koop aangeboden. We lopen ook over de Sqala de la Ville, waar een hele serie oude kanonnen staan, waarvan ook een paar uit Nederland.
In de avond gaan we weer eens met zijn allen uit eten. Luc heeft een leuk restaurant uitgekozen, dat uitzicht geeft over zee; het Il Mare restaurant. Luc zelf vraagt om het kleine menu, maar wij laten opns niet van de wijs brengen. Aan het eind gaan we met zijn allen de dansvloer op. Leuk etentje!

20 mei, Essaouira,
Vandaag mogen wij onze eigen keuze maken. Wij beginnen aan de haven. Het is daar druk met vissersboten, die gelost worden. Vogels krioelen om de masten. Even verderop ligt een houten vissersschip, dat in aanbouw is. Een plaatselijke “gids” biedt zijn diensten aan om ons te vertellen wat er over te vertellen is. Hij is niet tegen te houden. En voor het maken van foto’s vraagt hij ook een kleine vergoeding. Daarna gaan we eens aan het strand kijken. Maar het is nogal fris vandaag, dus het komt niet tot zwemmen. Wel nemen we een drankje bij een café aan het strand. Maar omdat dat steeds voller stroomt met toeristen uit bussen, stapppen snel weer op. Dan maar weer de stad in. Er valt immers genoeg te zien. Als we wat eten op een terrasje, komt er een jongen in een rolstoel bedelen om wat eten. Dat is gewoon niet te weerstaan, dus zijn wij hem van dienst. Later in de avond eten we maar weer eens in een Italiaans restaurant in de Kasbah. Jammer dat we hier niet langer blijven, want we zien, dat hier nog veel meer leuke restaurantjes zijn. We zien ook Luc, die ergens een pizza zit te eten. Zeker gisteren te veel gegeten.

21 mei, Marrakech,
We keren weer terug naar het zelfde hotel, waar we voor een paar dagen waren. Deze dag wil Luc ons nog wel een keer op sleeptouw nemen. We beginnen in de souk Kemiz, de souk van de armen. Je ziet er allerlei tweedehandse bouwspullen, hekken en zo meer. Dan lopen we over de souk van de potten en de pannen en de souk van het ijzerwerk. Via een weg buiten de muren van de stad gaan we het deel van de stad bekijken, waar de gewone mensen wonen. Het ziet er allemaal heel goed uit, vinden wij. We bekijken ook de Zaouia van Sidi bel Abbes. Sidi bel Abbes is de meest aanbeden patroonheilige van de stad. Bij de Jamaa el-Fna laat Luc ons weer gaan. We drinken wat in een restaurant aan het plein.
‘s Avonds kunnen we het niet laten om nog een keer naar Jamaa el-Fna te gaan. We zien alle drukte nog eens aan ons voorbij gaan en gaan dan weer terug naar ons hotel.
De volgende dag vliegen weer terug naar Nederland. Marokko is ons heel goed bevallen!

Terug naar Reizen